Your excellency,
Meneer Oral,
Meneer Akarsu,
Dames en heren,

jozias van aartsenEen kleine vijftig jaar geleden kwamen de eerste Turkse gastarbeiders naar Nederland en naar Den Haag. Het begin van een nieuwe periode in de geschiedenis van ons land en onze stad. Maar ook een nieuw hoofdstuk in het leven van talloze Turkse families. Dat verhaal en alles wat erop volgde, dat verhaal vertelt het Turks Museum Nederland.

Meneer de consul-generaal, ik beschouw het als een grote eer om samen met u dit nieuwe museum te mogen openen.  Dit jaar vieren Nederland en Turkije het vierhonderdjarig bestaan van onze wederzijdse handelsbetrekkingen.  Het is zeker niet toevallig dat de Nederlands-Turkse betrekkingen stammen uit het begin van de zeventiende eeuw, de Gouden Eeuw, de grote bloeiperiode uit de Nederlandse geschiedenis. Een bloei die enerzijds gebaseerd was op een actieve handelspolitiek, gekenmerkt door durf en ondernemingszin en anderzijds zijn oorsprong vond in een relatief open en tolerant klimaat. De afgelopen vijf decennia zijn de betrekkingen tussen onze landen flink toegenomen. Bovendien hebben inmiddels ruim 35.000 Hagenaars een Turkse achtergrond. Dit museum komt dan ook meer dan gelegen.

Staat u mij toe dat ik mijn toespraak in het Nederlands vervolg.

De geschiedenis van Den Haag in de tweede helft van de twintigste eeuw, dat is óók de geschiedenis van de komst van Turkse werknemers naar onze stad. Zij hebben een belangrijke bijdrage geleverd aan de enorme economische groei en de stijging van de welvaart in die jaren. Daarom is het zo goed dat dit museum er nu is, om deze gezamenlijke Turks-Nederlandse geschiedenis te documenteren.  Ik heb begrepen dat het aanvankelijk gistermiddag geopend zou worden, maar toen bleek Nederland tegen Turkije te moeten voetballen…

Verschillende instellingen, zowel in Nederland als in Turkije, hebben bijgedragen aan het tot stand komen van dit museum. Ik noem het Nationaal Archief, het Haags Historisch Museum, het Museon, het Haags Gemeentearchief en het Sabanci Museum inTurkije. En niet te vergeten, de talloze vrijwilligers die zich hebben ingezet voor het museum!
Toch wil ik vandaag niet alleen achterom kijken, maar ook naar voren. Zoals ik al in het Engels zei, hebben zo’n 35.000 Hagenaars een Turkse achtergrond. Een aanzienlijk deel van hen is ondernemer. Zij leveren een belangrijke bijdrage aan de Haagse economie, bijvoorbeeld in de sector zakelijke dienstverlening. Maar ook in het Midden-en Kleinbedrijf zijn Turks-Nederlandse ondernemers goed vertegenwoordigd.
Hagenaars met een Turkse achtergrond zijn ook in toenemende mate te vinden aan onze hogescholen en universiteiten. Wie op zoek gaat naar het Nederland, naar het Den Haag van morgen en overmorgen, moet daar gaan kijken. Met de kennis en de vaardigheden die zij daar vergaren zullen ook de Hagenaars van Turkse komaf later hun bijdrage leveren aan onze economie en onze maatschappij. Zij zijn de middenklasse van de toekomst. En we zullen hen hard nodig hebben om Nederland en deze stad, Den Haag, draaiende te houden.

Komende maand zal ik, samen met mijn collega’s uit Rotterdam en Amsterdam, op bezoek gaan in Istanbul. Een bezoek dat in het teken van de handel zal staan. Juist in deze tijden van recessie komt het erop aan onze economie te stimuleren. Bovendien knopen we met dit bezoek ook heel bewust aan bij de ondernemingszin die vier eeuwen geleden leidde tot het aangaan van diplomatieke banden tussen Turkije en Nederland.

Het is in die open, internationale, ondernemende geest en in de volle overtuiging dat alleen die instelling ons verder zal brengen, dat wij, meneer Akarsu, meneer Oral en ik, dadelijk het Turks Museum Nederland zullen openen.

http://www.denhaag.nl/home/bewoners/to/Toespraak-door-burgemeester-Van-Aartsen-bij-de-opening-van-het-Turks-Museum-Nederland-8-september-2012.htm